Alexander Terug.....

De bliksem slaat opnieuw in…  

Ans 20 juli 2003

Maandagavond, 10 juni 2002, de bliksem slaat opnieuw in.

Het is 22.30 uur, de voordeurbel rinkelt, zo laat, wie kan dat nou zijn. Ik beëindig het telefoongesprek met mijn vader en doe de deur open.

Daar staat een man, ik ken hem niet en hij stelt zich voor als een medewerker van Defensie.

Op dat moment gaan er nog geen alarmbellen rinkelen, het enige dat ik op dat moment denk is: “wat heeft Alexander nou weer uitgehaald, kan dat niet wachten tot morgen”. Hij vraagt of hij mag binnenkomen. Ja, dat mag.

Aarzelend vraagt hij: “Dit is toch het woonadres van Alexander?”. Ik kijk hem heel vreemd aan en nog daagt er niets bij mij.

Ja, dit is Alexanders huis, al zo’n twintig jaar.

De man kijkt wat ongemakkelijk en zegt dan: “Gaat u even zitten, ik heb een heel naar bericht voor U”. Plotseling gaan het alarm bij mij af. Dit heeft niets te maken met een akkefietje dat Alexander kan hebben gehad. Dit is veel erger.

Dan komt het hoge woord eruit: “Alexander is vanavond om 17.30 uur in Duitsland ten gevolge van een verkeersongeluk om het leven gekomen”. Alles in mij verzet zich, ik voel me trillerig worden, probeer mijn geest zo snel mogelijk af te sluiten, maar het gaat niet. Het enige dat ik uit kan brengen is “Nee”. Het enige dat ik denk is “Nee, niet weer, niet nog een”.

Inmiddels is mijn dochter naar beneden gekomen en vraagt wat er aan de hand is. Ik vertel haar dat haar broer is overleden die avond. We kijken elkaar verstomd aan. Niet Alexander, onze extreme, drukke Alexander. Ik loop naar de keuken om koffie te zetten, ik moet iets doen. Ik kan niet in een kamer blijven met degene die dit nieuws komt brengen. Maar het is onvermijdelijk, ik wil weten wat er is gebeurd.

Dan zegt de man:”Waar is zijn vader”. Ik denk: “Lezen jullie geen dossiers, die woont hier al jaren niet meer, mijn God, hij weet het nog niet”. De man vraagt of hij de vader in kennis zal stellen. Op dat moment besluit ik dat maar zelf te doen. Ik pak de telefoon en bel. Terwijl ik het nummer draai, denk ik: “Hoe vertel je een vader dat zijn zoon overleden is?”. Alle voorzichtigheid ten spijt komt het bericht als een mokerslag aan. Het blijkt dat je zo’n bericht niet voorzichtig kan brengen. Uiteindelijk blijft de boodschap hetzelfde. Je eigen vlees en bloed, diegene die een gedeelte van jezelf meedraagt, is plotseling uit je leven verdwenen. Geen afscheid, geen laatste gesprek, niets.

De man wil niets vertellen voordat ook de vader van Alexander aanwezig is. Diverse keren gaat hij naar buiten om contact op te nemen met de kazerne in Duitsland. Voor mijn gevoel duurt het lang, heel lang voordat Alexanders vader arriveert, maar dan komt eindelijk de informatie. Alexander is frontaal op een bus gereden, de inzittenden zijn bijna allemaal gewond en waren op weg van een excursie terug naar school. Ik word een beetje misselijk, hoe gaat het met die kinderen en de chauffeur. Mijn God, hoeveel ouders hebben het bericht thuisgekregen, niet wetende wat er met hun kind aan de hand is. Plotseling wordt ik kwaad, heel kwaad op Alexander. Had hij niet beter uit kunnen kijken. Hoeveel mensen heeft hij hiermee in gevaar gebracht. Wie zat er bij hem in de auto. Gelukkig, hij was alleen. Inmiddels heb ik mijn gevoel kunnen uitschakelen, ik zit op de bank en luister en kijk en heb het idee dat ik naar een hele slechte B-film kijk. Ik wil alleen zijn, ging iedereen maar gewoon weg. Ik moet alles nog op een rij zetten, ik moet mijn werk nog bellen morgen, ik moet dingen regelen voor de begrafenis, ik moet naar Alexander. Maar ik kan niet naar Alexander omdat, gezien de aard van zijn verwondingen, er geen mogelijkheid is om hem nog te zien. Eindelijk, iedereen is weg, mijn dochter is naar bed. En ik, ik zit op de bank, een kussen tegen me aan gedrukt en probeer de realiteit tot mij door te laten dringen. Maar dat lukt niet. Alles in mij verzet zich tegen de wetenschap dat Alexander niet meer thuiskomt a.s. vrijdag en nooit meer thuiskomt. Hij heeft het wel beloofd: “Dag mam, tot vrijdag”. De dagen daarna worden gevuld door het organiseren van de begrafenis in samenwerking met Defensie en Alexanders vrienden, bezoeken van vrienden en collega’s. Ik heb besloten op de begrafenis zelf te spreken, dat is het allerlaatste dat ik voor Alexander kan doen. De tekst is midden in de nacht bedacht en opgeschreven. Het is kort, maar gaat over de Alexander zoals zijn familie hem kende. Ik wil wel de pijn van het verlies voelen, maar het lukt niet. Ik heb het gevoel dat ik niet mag rouwen, het is perslot van rekening zijn eigen schuld geweest. Ik kan niemand de schuld geven, geen dronken automobilist, geen roekeloze medeweggebruiker…niemand.

Nu is het een jaar geleden. Ik heb uiteindelijk de pijn gevoeld, heb gerouwd en eigenlijk doe ik dat nog steeds. Maar anders… Alexander is (net zoals zijn oudste zusje) een dierbare herinnering, het gevoel van leegte zal altijd blijven, dat wordt niet meer opgevuld, maar ik heb ook veel van Alexander geleerd. Jezelf blijven, hoe moeilijk ook. Doorgaan met leven, ook na zijn dood heeft het leven nog vele goede en mooie kanten. Dat is de erfenis van Alexander en dat is een groot goed. Die nalatenschap zal ik proberen door te geven aan anderen. Dat is zijn steen die hij heeft verlegd in een rivier op aarde. Zo weet ik dat hij nooit zal zijn vergeten.